Salatiga - Getuigenissen van een rijk Indisch verleden
Huis aan de Toentangseweg. Dit is een
voorbeeld van een Indisch woonhuis uit de tweede helft van de 19e eeuw.
Het huis heeft een lange en brede voorgalerij die tegen de zon wordt beschut
door golfplaten en ondersteund door dunne ijzeren pilaren. Over het algemeen vond men
golfplaat en bamboe al goed genoeg..De
vloer van de voorgalerij is verhoogd en links op de foto zien we een bijgebouw.
Deze Indische huizen werden gewoonlijk gebouwd door ingenieurs van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Waterstaatstijl),
en zelfs door officieren
van de genie die
geen speciale architectenopleiding hadden genoten en normaliter barakken voor
soldaten en
woonhuizen voor legerofficieren ontwierpen.. Zij werkten volgens vaste schema's uit
handleidingen voor bouwkundigen. Uiteraard bekommerden zij zich bij hun werk ook niet om de
'regels van de esthetica'.
Een typisch Indisch woonhuis kent karakteristieke kenmerken als een symmetrisch grondplan, gelijkvloers, open, hoog opgaande zuilen en kroonlijsten, wit gepleisterde muren, hoge plafonds, schaduwrijke erven en gladde vloeren.
De stad Salatiga was oorspronkelijk een regentschap (Kabupaten) . Het Nederlands
bestuur zetelde in Semarang. Op 25 juni 1917 werd Salatiga tot
stadsgemeente verklaard met aan het hoofd een assistent-resident uit Ambarawa.
(Tegenwoordig is Ungaran de hoofdstad van het regentschap Semarang)
Na de onafhankelijkheidsverklaring kwam hiervoor een burgemeester (walikota)
in de plaats.
De komst van de Nederlanders had grote invloed op de
vooruitgang en ontwikkeling van de stad, vooral op de bouwkunst aan
het begin van de vorige eeuw.
De afschaffing van het Cultuurstelsel, waarbij het Gouvernement in
Nederlands-Indië de
enige ondernemer was, in 1870 en het aannemen van de Suikerwet en de
Agrarische Wet leidde niet alleen tot grote economische ontwikkeling,
maar had ook gevolgen voor de urbanisatie van de steden op Java.
Aangetrokken door een gunstige ondernemingsklimaat vestigden
zich vele handelshuizen, banken en ondernemingen met vele filialen en
kantoren zich in Indië. Veel Europeanen volgden het particuliere
bedrijfsleven naar de kolonie om er te wonen, te werken en te blijven.
Men werkte hard aan de ontwikkeling en opbouw van de kolonie, om er
het verblijf zo leefbaar en comfortabel mogelijk te maken. In doen en
laten was men georiënteerd op het Westen en hield men vast aan de
waarden en normen van het moederland.
Het aantal Europeanen dat in de kolonie
bléef vertienvoudigde in zestig jaar tijd (van 28.000 in 1855, tot
240.000 in 1920). De explosieve groei veroorzaakte grote
problemen. Infrastructuur was er nauwelijks, er was een tekort aan
scholen, ziekenhuizen, overheidsgebouwen en woningen. De vraag
naar hoog opgeleide Nederlandse bouwkundig ingenieurs was groot.
De bewijzen voor de macht van de Nederlanders zien we vooral door de aanwezigheid
van grote gebouwen in classicistische bouwstijl die gedurende de 19e eeuw gangbaar was. Deze gebouwen waren een voortzetting van de architectuur in het Oude Europa, van de Griekse- en
Romeinse tijd tot aan de Renaissance. Al deze fraaie en trotse
gebouwen weerspiegel(d)en de rijkdom van de machthebbers
in die tijd. Zo'n gebouw bestond gewoonlijk uit een voorportaal, een
grote zaal, een terras en een lange gang die naar de keuken
leidde. De versieringen die veelvuldig aan de muren werden aangebracht
waren Dorisch van stijl. Als decoratie werden ook veel
schilderijtjes en veel portretfoto's gebruikt, voorts versierde borden,
doekjes en beeldjes. Deze bouwstijl noemen we de Empirestijl.
Het Indisch bouwen
Deze toen in Europa gangbare bouwstijlen bleken al
spoedig niet meer geschikt voor het tropische klimaat. Men zocht naar
"nieuwe wegen", hetgeen zou moeten resulteren in een nieuwe "Indische bouwstijl",
eigen aan de (Indonesische) cultuur, het tropische klimaat en de
(koloniale) maatschappij. De ideale ‘tropenstijl’, een synthese
van moderne westerse bouwstijl en de inheemse architectuurtraditie moest
tot een harmonieuzere samenleving leiden.
Over hoe dit moest worden aangepakt,
werd tussen 1923 en 1937 verwoed gediscussieerd en gepubliceerd.
Er waren twee kampen te onderscheiden met elk een eigen benadering: het
ene kamp wilde vanuit een centraal punt van bovenaf aangeven hoe er
gebouwd moest worden, en bepalen welke stijl op dat moment modern
was. In dit kamp werd C.P Wolff Schoemaker
gerekend. Het andere kamp wilde van de basis af de impulsen voor
de kunstvorm, de stijl, laten aandragen. In dit kamp bevonden zich
Henri Maclaine Pont en
H.Th. Karsten. Ook H.P. Berlage
nam deel aan deze discussie tijdens zijn Indische reis.
De architect Henri Maclaine Pont (1885-1971) vertaalde een en ander naar regionaal gebaseerde architectuur. Hij verdedigde de eigenheid van de Javaanse bouwtraditie tegenover degenen die de inlandse architectuur inferieur vonden aan de westerse en zich op een dood spoor bevond omdat er van de oorspronkelijke Javaanse kunst maar weinig te bespeuren viel. Zo verklaarde de jonge hoogleraar Charles Prosper Wolff Schoemaker (1882-1949) tijdens het Volkshuisvestingscongres in Semarang in 1922 dat Java geen architectuur en geen architectuurtraditie bezat. Pont pleitte er juist voor de inlandse bouwtradities in ere te houden. Genoemde Wolff Schoemaker, leraar van Soekarno, ontwikkelde zelf een nieuwe vormentaal gebaseerd op tropische omstandigheden en principes. Hij ontwierp tussen 1910 en 1940 talloze gebouwen op Java, waaronder Villa Isola, gebouwd voor de jonge krantenmagnaat Willem Berretty, en Hotel Preanger in Bandung
Aldus ontstond er een
Indo-Europese bouwstijl die een vermenging was van Nederlandse en Indonesische
(Javaanse) elementen, zoals bijvoorbeeld de pendopo. Volgens Hendrik
Petrus Berlage, een synthese van het Westerse constructiesysteem en
den oosterschen kunstvorm, waartoe dan uit de Javaansche pendopo als
oerbouw, zich het definitieve bouwwerk zou kunnen ontwikkelen."
Zo'n pendopo bestond uit
een centraal en opvallend solide dak op hoge kolommen. Ze was goed
bestand tegen aardbevingen en ander natuurgeweld.
De Bandungse Technische Hoogeschool (1919) - Institut Teknologi Bandung (ITB) van Henri Maclaine Pont werd een westerse
constructie met Minangkabau uiterlijk. De galerijkolommen bestaan uit
betonnen palen met grof grind.
Een andere vertegenwoordiger van deze
nieuwe richting, Thomas Karsten (1884-1945), ontwierp het gebouw van het Sobokarti theater in Semarang
- Maclaine Pont en Wolff waren Indo-Europeanen (waarvan de laatste zich tot de Islam bekeerde) en de Amsterdammer Karsten had een Javaanse echtgenote en was ook bevriend met de Mangunegoro van Solo. Deze drie mannen deelden, begrijpelijk, een diepe betrokkenheid voor het land waar zij werkten en waarmee zij zich verbonden voelden.
- "..Wat de Hollandsche bouwmeesters uit den tijd
van de Compagnie deden, was niet anders dan het overbrengen van
hun Hollandsche gebouwen op Indischen bodem. Tegenwoordig zyn vele
jonge Nederlandsche architecten zoekende naar een eigen „Indo-Europeeschen"
bouwvorm, die rekening houdt met klimaat, omgeving en traditie
Welgeslaagde voorbeelden hiervan vinden we in het werk van de
architecten Karsten, Maclaine Pont (de bouwmeester o.a. van de
Technische Hoogeschool te Bandoeng), Gerber e.a. De gemeente
Batavia gaf in dezen een voorbeeld door het doen ontwerpen van een
uitbreidings-en bebouwlngsplan, waarin o.a. een betere bebouwing
van het Koningsplein begrepen is.
Om tot een waarlijk Indo-Europeesche architectuur te
geraken, kunnen, de Hollandsche architecten, óf wel zich
aanpassen aan de Javaansche oervormen,
óf wel den zuiver
constructieven vorm geven, die eeuwig en overal gelijk
is. De Javaan zal zelf den, voor elk land betrekkelijken
kunstvorm moeten vinden. .." 1)
Ondanks het zoeken naar een eigen Indische identiteit bleef het
merendeel van de gebouwen een Europees uiterlijk behouden met een
tropische variant van Art Deco en het Nieuwe Bouwen een
architectuurstroming die het functionalisme of de zakelijkheid als
uitgangspunt nam.
De architecten waren dan ook veelal opgeleid in Nederland (Delft),
en werden ook beïnvloed door de moderne architectuur
uit de Verenigde Staten (o.a. Frank Lloyd Wright). De vermenging
van westerse techniek en oosterse bouwkunst was het werk van
enkele individualisten gebleven.
Salatiga
Segregatie
Daarnaast zorgden de Nederlanders ook voor een indeling van de stad in de Europese, de Chinese en de inlandse bevolking, die elk in aparte wijken woonden. Zo'n verdeling in verschillende wijken laat zien dat het Indië van toen een sterk sociaal verdeelde samenleving was, waarbij de hoogte van het inkomen bepalend was in welke wijk men zich kon vestigen. In Salatiga woonde de Europese elite aan de Toentangscheweg, nu Jalan Diponegoro (kawasan Eropa, de Europese wijk, met veel monumentale gebouwen), De Chinezen woonden in de omgeving van de Soloscheweg (Jl. Jendral Sudirman), de priyai woonden vlak bij de hogere kringen. De gewone bevolking woonde buiten de stad (Gendongan).
De dragers van de Europese cultuur waren de Nederlanders samen met de priyayi, de elite van de inheemse bevolking. Uit de vereniging van Nederlanders met leden van de Javaanse bevolking werden "indo's" geboren. Maar ook de levensstijl van deze indo's, tegenwoordig ook Indische mensen genoemd, was doorgaans meer op Europa dan op Indonesië georiënteerd. 2)
Het sociale, politieke- en andere leven werd geregeld door de bestuurlijke samenwerking van Nederlanders, Chinezen en "inlanders". Zo ontstond er een bureaucratische elite. De onderste laag van de inheemse bevolking (de inlanders) werkte als arbeider in de ondernemingen en plantages die in de omgeving van de stad gelegen waren. Degenen die voor de Nederlanders werkten kregen als werknemers eens per maand loon uitgekeerd voor hun arbeid.
Doordat de Nederlandse regering ook de Ethische
Politiek ten uitvoer bracht, werd voor elk werk dat zijn onder
handen nam een instantie in het leven geroepen. Elke sector had
stafpersoneel dat zich daarmee
bezighield.
Echter, door de Japanse bezetting en door het toepassen van de politiek van de
verschoeide aarde door de TNI tijdens de politionele acties zijn er veel
documenten verdwenen en door het vuur vernietigd. Ook latere
verhuizingen van het archief
spelen hierin een rol. Zo kunnen we dus niet met zekerheid
weten welke instantie zich bezighield met welk deel van het leven.
20110220
Volgende Pagina: Architecten werkzaam in Nederlands-Indië >>
Foto's oude gebouwen in Salatiga >>
1. Uit de Mail. Geopende
tot 15 Dec. 1923.) NEDERLAND. Dr. Berlage over Indië en zijn bouwkunst.
Krantentitel: Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië
22-01-1924
2. Het woord Indisch heeft vaak een negatieve bijbetekenis, bijvoorbeeld in "Indische jongen", of zoals in de "indische cultuur", de cultuur van de kleine indo, maar in de bouwkunst wordt hieronder verstaan een goed ontwikkelde bouwstijl, die rond 1920 in Nederlands Indië onstond, waarin richtingen als Art Deco worden vermengd met Indonesische elementen.
Literatuur:
- Huib Akihary - Architectuur & stedebouw in Indonesië 1870-1970
- Dullemen, C.J. van - Op zoek naar de tropenstijl, Leven en werk
van prof. ir. C.P. Wolff Schoemaker, Indisch architect.
-Jan van Dullemen: Tropical modernity. Life and
Work of C.P. Wolff Schoemaker. Uitg. SUN, Nijmegen, verschenen in mei
2010
- Ben F. van Leerdam - HENRI MACLAINE
PONT architect tussen twee werelden' . Over de perikelen rond
het ontstaan van de gebouwen van een hogeschool, het 'Institut Teknologi
Bandung'.
- B. F. van Leerdam, Architect Henri Maclaine Pont. Een speurtocht naar
het wezenlijke van de
Javaanse architectuur (Dissertatie Technische universiteit Delft 1995;
Delft: Eburon, 1995.
- Emile Leushuis, Gids historische
stadswandelingen Indonesië, KIT 2011
- The Past in the Present
- Architecture in Indonesia,
Peter J.M. Nas, Kees van Dijk, Johannes Widodo, Pratiwo, Hedi Hinzler,
Amanda Achmadi, J. Wuisman, Cor Passchier, Abidin Kusno, Madelon
Djajadiningrat-Nieuwenhuis, Maaike Boersma
Red.: Peter J.M. Nas, Martien de Vletter
- Dikken, Judy Den, Roding, J.G., Boersma,
T. & Segaar, D. Liem Bwan Tjie (1891-1966)
Westerse vernieuwing en oosterse traditie, Bibliografieen en
oeuvrelijsten van Nederlandse
architectenen stedebouwkudigen, 23. Rotterdam: Stichting BONAS. 2002.
-
De Indische wortels van het Nederlandse modernisme.
- Indonesische Kunst door Prof. C.P. Wolff Schoemaker.

Salatiga video

Startpagina