De Capitulatie van Toentang
Janssens die ondanks de verloren slag in Meester Cornelis
weigerde geheel Java op te geven, ging vervolgens naar Midden-Java om
het met behulp van de vorsten te verdedigen.
Op 1 september 1811 kwam hij te Semarang aan.
".. Met inderhaast saamgebrachte troepen richtte hij even ten Zuiden der stad stelling in op den gunstig gelegen heuvel Srondol. De opgeroepen Madoereesche hulptroepen verschenen echter niet; hun hoofden waren reeds tevoren door Raffles bewerkt. Weldra bleek, dat ook op de troepen der Javaansche vorsten niet gerekend kon worden. Bij de eerste verschijning der Engelschen, die te Semarang geland waren, sloegen zij op de vlucht, en doodden zij hun kolonel Bartlo, en andere Hollandsche officieren. Janssens, die met de rest van zijn legertje op Toentang was teruggetrokken, vroeg nu een wapenstilstand aan, en begon te onderhandelen met Auchmuty. Daar alle middelen tot verdere verdediging hem ontbraken, was hij genoodzaakt de capitulatie van Toentang te teekenen, 17 september 1811. De voornaamste bepalingen waren: Java, en alle daarbij nog behoorende posten -- Palembang, Timor, Makassar -- worden aan de Engelschen overgegeven; alle militairen worden krijgsgevangenen; de Engelschen nemen geen verplichting op zich ten aanzien van de schulden, door de Franschen gemaakt, noch omtrent de inwisseling van het papieren geld; de troepen der inheemsche vorsten mogen naar huis terugkeeren; de ambtenaren die in Engelsche dienst willen overgaan, kunnen hun ambten blijven bekleden. Met deze capitulatie waren de laatste resten der Indische koloniën overgegaan aan de Engelsch O.I. Compagnie.."
Dr, F.W. Stapel, Geschiedenis van Nederlandsch-Indië, JM Meulenhoff Amsterdam, MCXXX, blz. 222-223
1. "... Janssens plaatste (ondertussen) wat hij in Midden-Java nog aan
troepen bijeen kon brengen in een sterke stelling boven Semarang. De
Engelsen landden echter onverwijld en herhaalden hun tactiek van
Meester-Cornelis. Na een nachtelijke mars verschenen zij plotseling
met een kleine macht voor Janssens troepen, die de aanval nu niet eens
afwachtten, doch er zonder aarzelen vandoor gingen. Sommige
troepenafdelingen behoefden zelfs niet meer over te geven, aangezien
zij ze al weggeworpen hadden. De Inheemse bondgenoten "wedijverden in
verraad". Slechts Prins Prangwadana (later: Mangkoenegara II) bleef
trouw tot het laatst. Janssens was verplicht onvoorwaardelijk te
capituleren, daar hij, naar eigen verklaring, geen enkele soldaat meer
over had. De capitulatie van Toentang
(18 september 1811) was volledig..."
Dr. H.J. De Graaf, Geschiedenis van Indonesië, N.V. Uitgeverij w. van Hoeve, 's Gravenhage Bandung 1949, pagina 372.