Salatiga - Geschiedenis
Salatiga is niet alleen een stad die Semarang verbindt met Solo, of
waar je slechts, voor een korte stop, doorheen rijdt..
Sinds lang heeft zij een lange en interessante
geschiedenis.
De stad bestaat al - naar men zegt - 1260 jaar ( 2010). Dit leidt men af uit de inkervingen in een gedenksteen (prasasti) die zich bevindt in de desa Plumpungan, Kecamatan Sidorejo.
Deze gedenksteen van andesiet (neo-vulkanisch gesteente) werd gemaakt op 24 juli
750.
Daarop staat te lezen dat de regio, dat wil zeggen de desa Hampra,
werd aangeduid als een vrijgebied, of autonoom gebied dat vrijgesteld
was van de verplichting tot het betalen van belasting.
Gewoonlijk kreeg een gebied de status van een vrijgebied vanwege een grote verdienste ten opzichte van haar machthebber. Deze was - volgens de tekst op de steen - een raja (koning) genaamd Bhanu.
De datum waarop de tekst op de gedenksteen werd gegraveerd wordt door de
stedelijke autoriteiten
geclaimed als de datum waarop Salatiga werd gesticht.
Dit werd ook vastgelegd in de verordening "Peraturan Daerah Tingkat II Kota Salatiga
Nomor 15 Tahun 1995 tentang Hari Jadi Kota Salatiga".
Oorsprong van de naam
Naast de hierboven genoemde versie over de oorsprong van de naam Salatiga,
zijn er nog andere versies in omloop.
Er is een versie die zegt dat Salatiga stamt van "Trisala". De naam "Trisala" is
terug te brengen tot de verering ter plaatse van Dewi Trisala. Uit
de naam "Trisala" ontstond "Salatri" en tenslotte "Salatiga".
Ook is er een volksvertelling over de beroving van Ki Ageng Pandanaran (Pandan Arang) een man van vermeende Arabische afkomst en die ook wordt genoemd als de stichter van de stad Semarang.
Toen hij door de streek liep, werd deze Ki Ageng Pandanaran beroofd door drie struikrovers. Door deze gebeurtenis ontstond de benaming "Salah Telu", Javaans voor de "drie fouten", en die vervolgens veranderde in "Salatiga".
Het Verdrag van Salatiga
De naam Salatiga duikt weer op aan de oppervlakte vanwege een overleg
in de desa Kalicacing tussen Sunan Pukubuwono III
van de Kasunanan (soenanaat)Surakarta, de VOC in de persoon van gouverneur
Hartingh en Raden
Mas Said
(ook Pangeran Sambernyawa genoemd, de "zielengrijper"). Het verdrag dat
toen ontstond staat
bekend als Het Verdrag van
Salatiga (Perjanjian Salatiga).
Door dit verdrag werd een zestienjarige oorlog op Java beëindigd.
Het overleg vond plaats als gevolg van de strijd van Raden Mas Said met de gecombineerde strijdkrachten van Yogyakarta, de VOC en Sunan Pukubuwono III, die volgens Raden Mas Said als een wayangpop was in handen van de Nederlanders. Uiteindelijk werd op 17 maart 1757 in het Gedung Pakuwon in Salatiga een tekst ondertekend, met daarin de bepaling dat Raden Mas Said recht had op een deel van de Kasunanan Surakarta. Door dit verdrag ontstond het vorstendom Mangkunegaran.
Voorts kreeg Raden Mas Said het recht de titel te dragen van Kanjeng Gusti Adipati Mangkunegara I. De nakomelingen van Raden Mas Said mochten die titel ook dragen.
Het was ook hier in Salatiga (Toentang) dat op 18 september 1811 Gouverneur-Generaal
Jan-Willem Janssens de capitulatie ondertekende, waarbij Java en alle
daarbij behorende posten, die nog niet waren veroverd, in handen der
Engelsen overgingen (capitulatie van
Toentang). Janssens wordt vervolgens vervangen door de
Luitenant-Gouverneur Thomas Stamford Raffles (1811-1816).
De koloniale periode
Tijdens de koloniale periode, vanaf het midden van de 19e eeuw tot het begin van de 20e eeuw, stond Salatiga bekend als rustoord van de koloniale regeringsfunctionarissen zowel als van Europeanen.
Door haar ligging tussen de heuvels waar een aangenaam temperatuur heerste, werd Salatiga een favoriete plek om op vakantie te gaan en om uit te rusten.
Haar status van kotamadya die Salatiga tot nu toe draagt ontstond ook al tijdens de koloniale tijd. In het Staatsblad No. 266 van 1 Juli 1917 werd bepaald dat Salatiga een Stadsgemeente (Kotamadya) was bestaande uit 8 desa.
In de eerste jaren van de onafhankelijkheid van Indonesië was Salatiga vaak een basis van de Nederlandse NICA (Nederlands-Indische Civiele Administratie), die het voornemen had om het land weer te bezetten. Naast Ambarawa en Semarang was Salatiga dan ook een plaats met veel onrust.
Op 29 Juli 1947 was de stad zelfs het mikpunt van een stoutmoedig
luchtaanval uitgevoerd door drie jonge kadetten van de Indonesische luchtmacht, de AURI (Angkatan Udara
Republik Indonesia), met 3 vliegtuigen van Japans makelij, die opstegen vanuit Maguwo, Yogyakarta.
De bedoeling was om de Nederlandse militaire posities te bombarderen. De
jonge kadetten deden dit door de bommen handmatig uit de cockpit te gooien.
Hierdoor vielen er aan Nederlandse zijde geen doden of grote schade te
rapporteren. Maar deze luchtaanval deed hen zeker schrikken en het was
tevens het bewijs dat de Indonesische luchtmacht nog bestond.

