Salatiga - Geschiedenis
Zuidelijkste afdeling van de residentie Semarang, groot 903 km², met op
ultimo
1915 een bevolking van bijna 396.000 zielen, waarvan een 1500-tal
Europeanen, ongeveer 2000 Chinezen, Arabieren en andere Vreemde
0osterlingen. De afdeling is verdeeld in twee controle-afdelingen: Salatiga
met de districten en Salatiga, en Tangeran, en Ambarawa met de districten
Ambarawa en Oengaran. Deze afdeling bestaat geheel uit vulkanisch
bergterrein, dat voor een groot gedeelte behoort tot de hellingen van de
Merbaboe, die op de Zuidergrens gelegen is. De belangrijkste rivier is de
Kali Gading, lager Kali Serang geheten, welke het Zuid-oostelijke gedeelte
van de afdeling doorstroomt. Het plateau in het Zuid-westen van afdeling is
zeer geschikt voor de cultuur van Europese groenten; ook werd er vroeger wel
tarwe verbouwd.
Er zijn 21 erfpachtondernemingen, uitgeoefend op 71 erfpachtpercelen, waarop
koffie, cacao, kina, coca , rubber en specerijen worden verbouwd en twee
ondernemingen voor de aanplant van suikerrietstekken. Tussen Salatiga en Ambarawa vindt men de Rawa Pening waaruit de Toentangrivier afvloeit.
Salatiga [2]
Hoofdplaats van de gelijknamige afdeling, controle-afdeling, district en regentschap Semarang van de residentie Semarang gelegen aan de grote weg van Semarang via Bawen en Toentang naar Soerakarta, op 12 km. afstand van de halte Toentang van de N.I. Spoorwegmaatschappij. De plaats ligt 550 meter boven zee en heeft een koel, aangenaam, maar enigszins vochtig klimaat. Men heeft er fraaie gezichten op de hellingen van de Merbaboe en de Oengaran, welke laatste berg geheel begroeid is. De woningen van Europeanen liggen grotendeels aan de weg naar Toentang en om het z.g. Kerkplein, een kleine open vlakte, waarop de Protestantsche kerk is gebouwd; niet ver van het kerkplein ligt de bekende badplaats Kalitaman. Men vindt er een inlandse Christengemeente met een stenen kerkje en een Zendingsschool, een nederzetting van het Leger des Heils en verder een belangrijk militair hospitaal. De bevolking bedroeg op ultimo 1905 een kleine 12.000 zielen, waarvan 700 Europeanen behalve het garnizoen, en 1300 Chinezen, verder 7 Arabieren en een 50-tal andere Vreemde Oosterlingen.
Bron: T.J. Bezemer - Beknopte encyclopedie van Nederlandsch-Indie, 2e druk Martinus Nijhoff, 1921
