De verdwenen steen van Salatiga


De verdwenen steen van SalatigaHendrik Jacob  Domis, geboren in Nederland in 1781, was Resident van Samarang in 1809, in 1827 van Pasaroeang en in 1831 van Soerabaya.

In 1834 keerde hij met verlof naar Nederland terug en vestigde zich, na zijn eervol ontslag verkregen te hebben, te Brummen, waar hij in Huize Samarang op 7 Mei 1842 overleed. Hij was een lid van het Bataviaasch Genootschap waarvoor hij onder andere " Salatiga, Merbaboe en de Zeven Tempels" (gepubliceerd in 1825) schreef.

Voorts leverde hij bijdragen van gemengde inhoud aan de Bataviasche Courant, in de Jaren 1828 en 1829.

Op zijn zwerftochten door het Merbabu-gebied was hij er ook steeds op uit om oudheden op te sporen. Rijk was zijn oogst evenwel niet, Het enige belangrijke dat hij vond was een grote, nagenoeg vierkante steen met een opschrift in Oud-Javaanse karakters, volgens hem afkomstig uit de Hindoe-tijd. Hij liet de steen naar Salatiga overbrengen, "ten eijnde denzelven voor verder verval te bewaren".

Van een deskundige kreeg hij de volgende vertaling van het opschrift.

 <<  Inie pengadjaran kaloe sapa njang maoe dapet tempat besar njang tentoe dengen slamet, - maoeanja moestie pake apa njang jadie kabaiekan dengen betool teroos terang dalem atie-nja* dengen njang kras pegang iegama, biear djangan dapet ingettan njang djadie boesook, soepaija di blakang kalie biear dapet njang terlebieg kabesaran, di atas itoe dapet djalannan ingettan, tealoe térang separtie Mentarie en.Boelan. Semooea orang moestie taoe orang njang dapet kabesaran itoe, orang njang toeroot parintahnja Batara, tandanja njang menoejoeken siapa njang tieda toeroot itoe parinta, dapet bagiean hoekoeman naraka.

Apa bekas pakirdjan njang soeda di djalanie, itoe mendjadie pemblienja pakerdjan baroe, lagie siapa njang kasie nama boesook sama orang, tentoe dapet kendirie, darietoe jangan loepa poedjinja soepaija djangan sampe melangar, apa njang djadie larangan, soengoe soengoe, inie penggadjaran njang betool, siapa njang biesa djalannie, segala sing maliat sama die telaloe tjienta dingen hormatnja.

Diatas moedjie tiedag ada lebieg darie toedjoo Boekoe, baiknja, soéngoe itoe njang Taöon temponja die kerdja 427. >>

----

<< Het zij zoo! Uit overtuiging moet gij goed handelen, om daardoor in achting en eere te geraken, doch zulks moet niet geveinsd maar met een zuiver hart geschieden, en om die reden, moet gij de godsdienstpligten opregt verrigten, om alle slechte denkbeelden van u te verwijderen, ten einde dezelve u helder zijn, even als de stralen der zon en het licht der maan. Alle menschen moeten weten, dat zij, die tot hooge waardigheden zijn gekomen, de bevelen van Batara opvolgen, en zij die zulks niet nakomen, verloren zijn. Het kwaadspreken van zijn evenmensch is slecht; Wees vrolijk, doch vergeet nimmer te bidden, en na te laten hetgeen verboden is.

Het is voorts van belang dat gij die leer volgt, daar hij die dezelve in alle zijne deelen nakomt, gelukkig zal zijn. Ten opzigte van het bidden, kunt gij niet beter doen dan op te volgen de zeven boeken, welke geschreven zijn in het jaar 427.>> 

Waar deze steen met opschrift momenteel gebleven is, weten we niet. Toen Domis zijn verhandeling schreef bevond het zich nog in zijn tuin in Selotigo.