DE VERDWENEN TJANDI TE SALATIGA (2/-)

 

Deze drie schrijvers delen het volgende over de tempel van Salatiga en zijn verdere lotgevallen mede.

Domis leidt, vermoedelijk op het voetspoor zijner Javaanse gidsen,de naam van het plaatsje Sala-Tiga af van sela, steen en tiga, drie, zodat het Drie Stenen zou betekenen. Met deze drie stenen zouden dan drie tempels bedoeld zijn, die bij een grote waterkom, even buiten het dorpje, zouden gelegen hebben. Van de stenen dier tempels zou het toen (1825) nog bestaande fort de „Hersteller" gebouwd zijn. Bij de waterkom bevond zich een heldere bron. Deze werd toen Kali Taman genoemd, de vijver Benaja. Daarin mochten zich slechts vrouwen van de eerste rang, putri's en raden aju's baden. Ten oosten van Kali Taman trof men een bron aan, die voor lieden uit de lagere volksklassen bestemd was.

Ongetwijfeld hebben de velerlei wateren, die Domis in 1825 bij Sala-Tiga aantrof wel iets uitstaande met de waterspruijten en de loopende rivier van Greven 95 jaar te voren. Men mag zich echter afvragen, of het aantal der verdwenen tempels, t.w. drie, niet ontsproten is aan de wens der bevolking, om de naam Sala-Tiga te verklaren.

Belangrijk is de mededeling, dat de tempelstenen voor de bouw van het fort de Hersteller zouden zijn gebruikt. Dit is alleszins aannemelijk. Bij contract van 11—13 nov. 1743 werden n.l. na de z.g. Chinese oorlog tussen Samarang en de nieuwe Kraton te Sura-Karta een drietal bentengs opgericht, waarvan die te Salatiga naar het schip van de gouverneur-generaal Van Imhoff, de Hersteller genoemd werd. Wat lag meer voor de hand, dan als bouwmateriaal de nuttelooze tempelstenen te gebruiken.

Ds. Buddingh wist in 1859 in heel Salatiga geen andere merkwaardigheden te ontdekken, dan de ruïnen van een stenen tempel (dus geen  drie), die door „den Hindoeschen vorst van Pengging, genaamd PraboeBirdwo in het Javaansche jaar 1300 of het Christelijke jaar 1373 (of 1394) zou gesticht zijn".

Onze predikant heeft dus toch nog resten van deze tempel gezien en noteerde de naam van de bouwer en het stichtingsjaar, waaraan vermoedelijk weinig meer dan een legendarische waarde toe te kennen is.

Friederich ten slotte, die zijn reizen over Java in 1865 en 1866 ondernam, komt weer op de drie tempels der overlevering terug en noemt de ruïne Praboe Serowo. Overblijfselen trof hij niet meer aan. Ook hij vermeldt de bron Kali-taman, waar de tempels zouden gestaan hebben, niet ver van het residentiehuis.  Toch meende hij nog het emplacement van 2 of 3 tempels te herkennen, ook al waren er geen tempelstenen meer.

Uit al deze berichten blijkt dus, dat de tempel opgegaan is in het fort de Hersteller, dat men thans eveneens in Salatiga vergeefs zal zoeken. Het werd in het midden der vorige eeuw afgebroken in verband met zijn uiterst gering geworden defensieve waarde. Het fort zal dus niet op de plaats van de tempel gelegen hebben, want Friederich en Buddingh zagen van de laatste nog resten van het emplacement.

Integendeel, de tjandi lag waarschijnlijk ten oosten van Salatiga, in of bij een kampong, die op de „Kaart van Sala Tiga en Omba Rawamet Omstreken, schaal 1: 50.000. Topographisch Bureau 1891. Herzien 1897" nog Tjanden genoemd wordt, welke naam natuurlijk van het woord tjandi is afgeleid en plaats van de tjandi betekent. Daar bevinden zich ook de badplaats Kali Taman en de vijver Benaja, die reeds door Domis in de buurt van de tempelruïne vermeld werden.

Waarschijnlijk is dit Tjandèn ook gelijk te stellen met het dorp Chiandij, dat het gezantschap van de ontvanger generaal Sebalt Wonderaer en de opperkoopman Rijklof van Goens op 18 juni 1648 aandeden. Zij brachten er de nacht op een heuvel door en het was er zo koel, dat niet alleen de leden van het gezantschap, maar zelfs de inwoners klappertandden, terwijl de medegebrachte boter stijf bleek geworden te zijn. De heuvel, waarop zij bivakkeerden, kan misschien die geweest zijn, waarop thans de Protestantse kerk zich verheft.

H. de Graaf,  De verdwenen tjandi te Salatiga In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 114 (1958), no: 1/2, Leiden, 117-120

<< Vorige pagina