(3)
 

Hij wilde zijn rijke sawahs tegen de heuvels niet zien. Zijn sawahs? – Nu niet meer. Het zou hem te veel pijn doen. Hij keek voor zich. Daar was zijn behoud.
Maar raden ajoe liet telkens haar ogen gaan over het land van haar weelde en bij de laatste kromming van de groee weg keek ze nog eenmaal om, stond stil... Daar lag haar dessa, haar huis, waar haar ziel nog was.
"Kom," zei Pandan Arang zacht.
Toen volgde ze, met een zucht.

De weg was lang en moeilijk. De zon brandde en blaakte op het land en op de weg. Maar de gedachte straks in de nabijheid van de heilige vorst te mogen zijn, verlichtte de gang van Pandan Arang.

Na enkele dagen zagen ze voor zich uit de wali Soenan Kali Djaga. Zodra deze bemerkte, wie hem volgden, wachtte hij. Pandan Arang naderde, hurkte neer en maakte een sembah.
"Gij hebt een goede keuze gedaan, mijnheer de regent."
"Ik ben geen regent meer. Het is mijn grootste geluk, in armoede u te volgen."
"Meer dan regent zijt gij. Gij hebt u zelf overwonnen. Gij zijt een goed mens."
Het drietal toog verder. Zonder pracht en praal ging de soenan door zijn gebieden. En de pajong, waaronder hij anders tussen het neergehurkte volk voortschreed, was nu verre. De gewezen regent en de soenan waren niet meer dan twee berooide reizigers, die hier en daar wat rijst ontvingen, als bedelaars.
De weg was lang en eenzaam, en enkele streken waren woest.
Plotseling, van uit een donker bos stormde een bende rovers nader. Enkelen grepen de twee mannen vast en schreeuwden, terwijl ze met hun krissen dreigden: "Geef op, alles wat je hebt!" Padan Arang was dodelijk verschrikt en zijn vrouw was dankbaar, dat ze haar juwelen zo goed verborgen had. Wie zou het weten, dat in die ruwe stok iets van zoveel waarde stak? – En toch was ze ongerust.

De wali bewaarde zijn vorstelijke kalmte en zei eenvoudig: Wat wilt ge van ons nemen? Onze kleren? De uwe zijn beter dan deze lompen. En meer bezitten we niet. We zijn doodarm. Misschien kunt ge ons helpen aan wat eten?"
De raden ajoe was bevend naderbij gekomen.
"Maar al zijn wij doodarm," vervolgde de soenan, en hierbij wees hij op Pandan Arang en zich zelf, "deze vrouw bezit meer. In die stok, die ze daar in de hand heeft, zitten verpcheidene juwelen van grote waarde. Die kunt ge nemen."
Verwonderd over de oprechtheid en kalmte van de vreemde reiziger, keken de rovers elkander aan. Pandan Arang schrok hevig. Hoe was dat mogelijk? Van haar?...
De rovers maakten de stok open, en vonden de juweIen.
"Laat mij ze behouden! Ze zijn mijn enig bezit!" smeekte de raden ajoe.
Maar de rovers stoorden zich niet aan de smeekbeden van een vrouw, namen de kostbaarheden mee, gaven haar de lege stok terug en trokken af.
Snikkend kwam ze naar haar man en zei bewogen: "Niets wordt mij gelaten."
Pandan Arang zweeg. wat moest hij zeggen? Ze was  gestraft voor haar bedrog.
Maar door de pijn van de te leurste11ing heen, werd hij getroost door de gedachte, dat zijn meester een groot en heilig man was, die alle dingen wist, ook die voor elk oog verborgen waren.


De wali sprak: "Gij hebt verkeerd gedaan, Raden Ajoe. Ik had gezegd, dat ge alles moest achterlaten. Dat gebod hebt ge overtreden. Nu zijt gij beroofd. – Ziet ge deze plaats?"
En met de blikken van een ziener schouwde hij in de verre toekomst. Zacht sprak hij: "Hier op deze plaats zal eenmaal een stad verrijzen. Haar naam zal zijn Salatiga. Want ge hebt een fout begaan door mijn gebod te overtreden. En drie kunnen dit getuigen: gij zelf, uw man en ik. Gedenk dit woord."
Het was stil na deze woorden. Daarna zei hij: "Komt, laat ons verder gaan."
En zij togen heen.

salah = fout, schuld; tiga = drie.

Uit: HULZEN Joh.v., Indische volksverhalen opnieuw voor de jeugd verteld, 1948

<< Vorige pagina