Hij wilde zijn rijke sawahs tegen
de heuvels niet zien. Zijn sawahs? – Nu niet meer. Het zou
hem te veel pijn doen. Hij keek voor zich. Daar was zijn
behoud.
Maar raden ajoe liet telkens haar ogen gaan over het land
van haar weelde en bij de laatste kromming van de groee weg
keek ze nog eenmaal om, stond stil... Daar lag haar dessa,
haar huis, waar haar ziel nog was.
"Kom," zei Pandan Arang zacht.
Toen volgde ze, met een zucht.
De weg was lang en moeilijk. De zon brandde en blaakte op
het land en op de weg. Maar de gedachte straks in de
nabijheid van de heilige vorst te mogen zijn, verlichtte de
gang van Pandan Arang.
Na enkele dagen zagen ze voor zich uit de
wali Soenan Kali
Djaga. Zodra deze bemerkte, wie hem volgden, wachtte hij.
Pandan Arang naderde, hurkte neer en maakte een sembah.
"Gij hebt een goede keuze gedaan, mijnheer de regent."
"Ik ben geen regent meer. Het is mijn grootste geluk, in
armoede u te volgen."
"Meer dan regent zijt gij. Gij hebt u zelf overwonnen. Gij
zijt een goed mens."
Het drietal toog verder. Zonder pracht en praal ging de
soenan door zijn gebieden. En de pajong, waaronder hij
anders tussen het neergehurkte volk voortschreed, was nu
verre. De gewezen regent en de soenan waren niet meer dan
twee berooide reizigers, die hier en daar wat rijst
ontvingen, als bedelaars.
De weg was lang en eenzaam, en enkele streken waren woest.
Plotseling, van uit een donker bos stormde een bende
rovers
nader. Enkelen grepen de twee mannen vast en
schreeuwden,
terwijl ze met hun krissen dreigden: "Geef op, alles wat je
hebt!" Padan Arang
was dodelijk verschrikt en zijn vrouw was
dankbaar, dat ze haar juwelen zo goed verborgen had. Wie zou
het weten, dat in die ruwe stok iets van zoveel
waarde
stak? – En toch was ze ongerust.
De wali bewaarde zijn vorstelijke kalmte en zei eenvoudig:
Wat wilt ge van ons nemen? Onze kleren? De uwe zijn
beter dan deze lompen. En meer bezitten we niet.
We zijn
doodarm. Misschien kunt ge ons helpen aan wat eten?"
De raden ajoe was bevend naderbij gekomen.
"Maar al zijn wij doodarm," vervolgde de soenan, en hierbij
wees hij op Pandan Arang en zich zelf, "deze vrouw bezit
meer. In die stok, die ze daar in de hand heeft, zitten
verpcheidene juwelen van grote waarde. Die kunt ge nemen."
Verwonderd over de oprechtheid en kalmte van de vreemde
reiziger, keken de rovers elkander aan. Pandan Arang schrok
hevig. Hoe was dat mogelijk? Van haar?...
De rovers maakten de stok open, en vonden de juweIen.
"Laat mij ze behouden! Ze zijn mijn enig bezit!" smeekte de
raden ajoe.
Maar de rovers stoorden zich niet aan de smeekbeden van een
vrouw, namen de kostbaarheden mee, gaven haar de lege stok
terug en trokken af.
Snikkend kwam ze naar haar man en zei bewogen: "Niets
wordt
mij gelaten."
Pandan Arang zweeg. wat moest hij
zeggen? Ze was
gestraft voor haar bedrog.
Maar door de pijn van de te leurste11ing heen,
werd hij getroost door de gedachte, dat
zijn meester een groot en heilig man was, die alle dingen
wist, ook die voor elk oog verborgen waren.
De wali sprak: "Gij hebt verkeerd gedaan, Raden Ajoe.
Ik had
gezegd, dat ge alles moest achterlaten. Dat gebod hebt ge
overtreden. Nu zijt gij beroofd. – Ziet ge deze plaats?"
En met de blikken van een ziener schouwde hij in de verre
toekomst. Zacht sprak hij: "Hier op deze plaats zal eenmaal
een stad verrijzen. Haar naam zal zijn Salatiga. Want ge
hebt een fout begaan door mijn gebod te overtreden. En drie
kunnen dit getuigen: gij zelf, uw man en ik. Gedenk dit
woord."
Het was stil na deze woorden. Daarna zei hij: "Komt, laat
ons verder gaan."
En zij togen heen.
salah = fout, schuld; tiga = drie.
Uit: HULZEN Joh.v., Indische volksverhalen opnieuw voor de jeugd verteld, 1948