(2)

"Hier vóór je! En vlug wat! En ik zal je voor je leugens laten boeten!" Schoorvoetend was het gevolg van de regent naderbij gekomen en zag met spanning naar het graven van de koelie. Met enkele slagen van de patjol was de aarde omgewoeld. En – hier geschiedde een wonder – tussen de zwarte grond glinsterde het goud, glansde het zilver en schitterden de juwelen en edelstenen... Pandan Arang ontroerde en deinsde een stap achteruit, niet alleen voor het wonder, dat hij aanschouwde, maar ook voor de doordringende blik, waarmee de schamele onbekende hem aanzag. En angstig, beschroomd, zagen ook de bedienden toe. Wat gebeurde er hier? En wat ging er gebeuren... Pandan Arang hurkte diep neer. Want het was hem plotseling openbaar geworden, dat een heilige voor hem stond.

"Vergeving! Vergeving!" was al, wat hij uitbrengen kon. En toen de ander zweeg, ging hij voort: "Ik heb gezondigd – ik heb het volk zijn loon onthouden – om mij zelf te verrijken. Maar Allah bezoekt mij thans! – Genade – schenk mij genade!.

De wali richtte zich op. Daar stond de vorst weer. Niet in pracht en praal, maar in houding en uitdrukking van gelaat. Zacht en toch nadrukkelijk sprak hij, voor elk verstaanbaar: "Ik heb zo-ven niet de waarheid gesproken. Ik wil u zeggen, wie ik ben. Ik ben de Wali Soenan Kali Djaga."
De regent dook ineen en maakte eerbiedig een sembah (gebedshouding).
Zwijgend wachtte hij. Welk vonnis zou hier volgen'? Hij luisterde.
"Ik had gehoord van uw geldzucht en uw grote gierigheid. Ik heb gemerkt, dat mij de waarheid werd verteld. Dat moet anders worden."
"Ik heb berouw. Vergeving!" "Ik wil het u vergeven."
Pandang Arang, aan de voeten van de wali, smeekte: "Mag ik u iets verzoeken, Goesti?"
"Wat wenst ge nog?"
"De Soenan is heilig. Ik wil van u leren, een goed mens te worden. Sta mij toe, u te mogen volgen en te dienen."
De Soenan dacht na en zei toen: "Het is goed. Maar dan stel ik u deze voorwaarde: àl uw schatten moet ge achterlaten en aan de omringende dessa's besteden. Niets moogt ge meenemen dan wat kleren. Want gij moet bevrijd worden van uw geldzucht. Anders kunt ge geen nieuw mens worden. Dan zal ik u in mijn dienst nemen. Ik ga nu heen. Ik volg de grote weg. Gij moogt nadenken en mij nakomen, als ge een beslissing genomen hebt en af-stand gedaan hebt van al uw bezittingen. Maar gij zijt vrij in uw keuze."
Toen verwijderde de soenan zich en liet de regent alleen.
In die weinige ogenblikken fluisterden twee stemmen in de ziel van Pandan Arang. "Blijf hier, bij uw schatten, uw macht – en geniet er van..." Dat was de ene stem. "Verbreek de banden van uw geldzucht, ga heen, volg de wali en word een goed mens...'* Dat was de andere stem. Nu pas gevoelde Pandan Arang, dat hij een gevangene van zijn eigen geldzucht geweest was. Ja, geweest. Want hij was reeds een ander mens geworden. Hij had gekozen.

Hij ging naar zijn vrouw, die hij zeer liefhad, maar van wie hij ook wist, dat zij haar juwelen evenzeer beminde, als hij vroeger zijn geld. Ook dit had hij overwogen. Wellicht zou hij met haar moeten breken, indien zij de armoede niet verkiezen kon. Hij bekende haar alles, wat er gebeurd was en eindigde: "Ik heb mijn besluit genomen. Ik moet mijn roeping volgen, en laat alles achter. Ik zal leed over u hebben, als ik alleen moet gaan. Maar dwingen rnag ik u niet. Wat wilt ge: de weelde hier, zonder mij, of de armoede ginds, met mij..."
De Raden Ajoe schreide. Ook zij was gehecht aan haar weelde. Maar scheiden van Pandan Arang kon ze niet. Daarvoor was haar liefde voor hem te groot en te diep. En na enige ogenblikken van stil gepeins, sprak zij zacht: "Ik wil u volgen."
Hierover was blijdschap in het hart van Pandan Arang. Hoe lief had zij hem! Hij zou in de vreemde nu niet alleen zijn.
Alles werd voor het vertrek in gereedheid gebracht. Pandan Arang schonk alles weg, en de dessabewoners waren verwonderd over de handelingen van de regent. Men begreep het niet.
Raden Ajoe bezag haar juwelen. Wat waren ze schoon! Welk een verblindende glans straalde er uit sommige stenen! Zou ze die niet kunnen rneenemen? Ze kon er geen afstand van doen. Zou ze het haar man eens vragen? Maar hij zou weigeren. En hoe moest zij ze meenernen? Aan haar kleren? Dat zou te veel opvallen.
Maar – als zij ze eens in een bamboestok deed. In de stok, die ze meenemen zou op haar tocht. Wie zou het rnerken? En als later de soenan en haar man het zouden merken?
Maar de juwelen behoorden toch bij haar kleren!
Zo trachtte ze haar verkeerde daad voor zich zelf te vergoelijken. Ze deed haar juwelen in een holle stok – en toen vertrokken ze.
De bedienden en dessalieden zagen hen van uit hun huisjes, van achter de paggers en struiken na, of hurkten hngs de weg. Zij begrepen het niet. Waren dat die schatrijke regent en zijn trotse vrouw? Die eenvoudige reizigers?
De Raden Ajoe en Pandan Arang waren stil. Hij keek voor zich uit en dwong zich zelf, niet te zien naar de kampongs tussen het groen... Zijn kampongs? – Nu niet meer

Vorig pagina | volgende pagina >>